cirrus
mannelijk (de)/'sɪrɵs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeldDe hemel was blauw met een beetje cirrus.
Etymologie
*Komt van het Latijnse cirrus, wat "krul" betekent.
Vertalingen
Engelscirrus
Franscirrus
DuitsZirrus
Spaanscirro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek