citroen

mannelijk/vrouwelijk (de)/siˈtrun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
    De man vond de citroen zuur smaken.

Etymologie

*Afkomstig van het Franse citron

Uitdrukkingen

  • appels voor citroenen verkopeniemand oplichten
  • Hij wordt weggegooid als een uitgeknepen citroen.Nadat men van hem gebruik heeft gemaakt ziet men niet meer naar hem om.
  • iemand knollen voor citroenen verkopeniemand neppen
  • iemand uitknijpen als een citroeniemand zo veel mogelijk geld afzetten

Vertalingen

Engelslemon
Franscitron
DuitsZitrone
Spaanslimón
Italiaanslimone
Portugeeslimão
Russischлимон
Chinees柠檬
Japansレモン, 檸檬
Koreaans레몬
Turkslimon
Poolscytryna
Zweedscitron
Deenscitron