club
mannelijk/vrouwelijk (de)/klʏp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (maatschappij) een besloten gemeenschap waarin de leden hun gemeenschappelijke belangen van niet economische aard behartigenIn het amateurvoetbal is het vanaf komend seizoen voor spelers voor het eerst mogelijk in de winterstop van club te wisselen. NRC 10 juni 2016Er ontstond zelfs een klein clubje dat nog maar heel weinig liep en van het ene naar het andere dorp liftte om daar dan dagenlang te hangen en te feesten, om vervolgens alleen de mooie stukken te lopen.Als ik niet beter zou weten, dan schaarde ik je bij de club van stiekeme sherryhappers.
zelfstandig naamwoord
- clubfauteuil
- (sport) slaginstrument voor het golfspel
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vereniging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1800
Vertalingen
Engelsclub, society, club chair
Fransclub, fauteuil club, club
DuitsKlub, Klubsessel, Golfschläger
Spaansclub, butaca, sillón
Italiaansclub, società, associazione
Portugeesclube, clube, clube
Russischклуб, мяткое кресло, клюшка
Zweedsklubb, klubbfåtölj, klubba
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek