cohort
alle geslachten/koˈhɔrt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis), (militair) oude Romeinse legereenheid van 6 centuries, bij elkaar 480 man„Vroeger waren we al blij als we ergens een fragment van een inscriptie met een of twee letters vonden”, vertelt Norde. „Hier zijn we bij wijze van spreken al teleurgesteld als we maar een halve tekst hebben, want we hebben zeker acht vrijwel complete teksten gevonden.” Daaruit valt af te leiden dat onder meer de Cohors II civium Romanorum, het Tweede Cohort van Romeinse Burgers, bij Herwen is geweest. Hetzelfde cohort was ook betrokken bij de bouw van het grote legerkamp, dat vorig jaar bij Valkenburg in Zuid-Holland is ontdekt en opgegraven.
- (statistiek) groep die vanwege bepaalde gemeenschappelijke kenmerken bij elkaar is gebracht
Etymologie
*Vermoedelijk direct van Latijn "cohors", in de betekenis van ‘onderafdeling van Romeins legioen’ aangetroffen vanaf 1767
Vertalingen
Spaanscohorte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek