colchicine
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌkɔlxiˈsinə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheikunde) uit herfsttijloos gewonnen alkaloïdeColchicine is een ontstekingsremmende stof die oorspronkelijk werd gewonnen uit herfsttijloos, een bolgewas uit de leliefamilie dat toevallig nu overal in bloei staat.
- (medisch) ontstekingsremmend middel dat helpt tegen jicht en hartkwalen, maar bij iets hogere dosering al giftig kan zijn; vroeger ook wel gebruikt tegen kankerDe onderzoekers koppelden het ANP-gen aan een ander gen dat de cellen resistent maakt tegen de ontstekingsremmer colchicine.
- (plantkunde) stof gebruikt om polyploïde planten te producerenSteichen bewerkte zijn riddersporen in de jaren dertig met colchicine, waardoor hij het aantal chromosomen van de plant kon verdubbelen.
Etymologie
*van "Colchicin", afgeleid van Latijn "Colchicum" "herfsttijloos" ; als benaming voor het eerst gebruikt in 1833 door de Duitse scheikundige in 18
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek