colchicine

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌkɔlxiˈsinə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde (scheikunde) uit herfsttijloos gewonnen alkaloïde
    Colchicine is een ontstekingsremmende stof die oorspronkelijk werd gewonnen uit herfsttijloos, een bolgewas uit de leliefamilie dat toevallig nu overal in bloei staat.
  2. medisch (medisch) ontstekingsremmend middel dat helpt tegen jicht en hartkwalen, maar bij iets hogere dosering al giftig kan zijn; vroeger ook wel gebruikt tegen kanker
    De onderzoekers koppelden het ANP-gen aan een ander gen dat de cellen resistent maakt tegen de ontstekingsremmer colchicine.
  3. plantkunde (plantkunde) stof gebruikt om polyploïde planten te produceren
    Steichen bewerkte zijn riddersporen in de jaren dertig met colchicine, waardoor hij het aantal chromosomen van de plant kon verdubbelen.

Etymologie

*van "Colchicin", afgeleid van Latijn "Colchicum" "herfsttijloos" ; als benaming voor het eerst gebruikt in 1833 door de Duitse scheikundige in 18