commanderen

/kɔmɑnˈderə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) direct dwingend leiding geven aan
    Als het erop aankomt, heeft Dafne het laatste woord. Ik heb in het eerste jaar van onze samenwerking al geleerd dat ik haar niet kan commanderen. Dat werkt niet bij Dafne. Ze geeft het ook aan als ik te dicht op haar huid zit, dat ze dingen zelf wil doen. Dat ze dat zelf in kan schatten, is iets van de laatste anderhalf jaar. In het begin hadden we veel meer een afhankelijkheidsrelatie. Ze is inmiddels zelfstandiger. Ik vind dat niet moeilijk. Een coach hoort op den duur steeds meer een adviseur te worden. En Dafne is net als ik een control freak, zelfkritisch. Dat schept vertrouwen.”
  2. ov (ov) korte krachtige instructies geven
    Een man komt aansjokken, opent het portier en vraagt naar mijn instapkaart, die ik laat zien op mijn mobiel. „Paspoort ook”, commandeert hij nors.

Etymologie

* van "commander" (), in de betekenis van ‘bevelen’ voor het eerst aangetroffen in 1590

Uitdrukkingen

  • commandeer je hondje en blaf zelf

Vertalingen

Engelsbe in command, command, order
Franscommander, commander
Duitsbefehlen, kommandieren
Spaansacaudillar, mandar
Portugeesmandar
Russischприказывать