compagnon
mannelijk (de)/kɔmpɑ'ɲɔn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- metgezel, makker, maat, kompaan, vriendHij ging samen met zijn compagnon op vakantie.
- vennoot, handelsgenoot, medefirmant, zakenpartner, associéHiervan profiteren vastgoedeigenaren, zoals Cor van Zadelhoff. Die verhuurt sinds vorig jaar met een compagnon 600 opvangplekken in Zaandam voor circa 2,5 miljoen euro per jaar. De vluchtelingen zijn deels gehuisvest op een oude detentieboot die eind 2013 door het ministerie van Veiligheid en Justitie werd afgedankt. NRC Merijn Rengers 4 juni 2016
Etymologie
*Van Latijn companio, van com (samen) en panis (brood), dus: iemand met wie men het brood deelt
Vertalingen
Spaanscompañero, asociado, socio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek