compenseren

/ˌkɔmpɛnˈzerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
    De oude fietser wist zijn verminderde snelheid te compenseren door langer door te fietsen.
    Een korte sluitertijd kun je compenseren met een groter diafragma of een lichtgevoeliger film.
    Daardoor is ze volgens de rechter inderdaad "op het verkeerde been gezet", maar het algemeen belang weegt zwaarder. Daarbij speelt mee dat de gemeente heeft toegezegd dat ze financieel gecompenseerd zal worden.

Etymologie

* van "compenser", in de betekenis van ‘vereffenen’ voor het eerst aangetroffen in 1423

Vertalingen

Engelscompensate
Franscompenser
Duitskompensieren
Spaanscompensar