computerruimte

vrouwelijk (de)/kɔm'pjutərœymtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel van een gebouw waarin de computers staan opgesteld
    Het instrumentarium om satellietdata te ontvangen was in de hoofdcomputerruimte geperst en drie terminals gaven de informatie weer die de drie satellieten verzonden.
    ' Mijn bed blijkt een stapelbed te zijn in een computerruimte waar nog een zestal andere journalisten aan het snurken is.