concert

onzijdig (het)/kɔnˈsɛrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) een muziekuitvoering door een orkest, ensemble, een koor etc.
    Tijdens het concert van het philharmonisch orkest was het muisstil in de zaal.
  2. muziek (muziek) een muziekstuk voor een solo-instrument in samenspel met een orkest
    Hij speelde het tweede pianoconcert van Mozart.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘muziekuitvoering’ voor het eerst aangetroffen in 1710

Vertalingen

Engelsconcert
Fransconcert
DuitsKonzert
Spaansconcierto
Italiaansconcerto