conifeer
mannelijk (de)/koni'fer/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een tot de , een groep ruim zeshonderd soorten naaktzadigen behorende houtige plant of boomDe meeste coniferen zijn naaldbomen die bladhoudend zijn, maar sommige soorten verliezen 's winters hun naalden.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘naaldboom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1863
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek