controle
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɔnˈtrɔːlə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toezicht, inspectie, onderzoek, nazienVoor het opstijgen van het vliegtuig voerde de bemanning nog een laatste controle uit.'Maar, mam. . . mijn medicijnen, ik moet terugkomen voor controles. . . Chantal wil. . . 'Dorien tikte bemoederend op de rug van zijn hand.
- beheersing, overheersingDe behendige wielrenner verloor door de te hoge snelheid tijdens de afdaling, toch nog de controle over zijn fiets en viel hard op de weg.Ik denk beter na met een pen in mijn hand. Inkt verheldert. Alleen door op te schrijven wat er was gebeurd, kon ik de controle herwinnen over mijn gedachten. Dat was de opdracht die ik mijzelf had gesteld. Daarom was ik hier.‘Ik wist niet veel over paarden, heb twee weken allemaal YouTube-filmpjes over paarden gekeken. Ik ben eigenlijk loodgieter en heb al mijn gereedschap en mijn bestelbus verkocht, waarvan ik deze twee paarden heb gekocht voor 2500 dollar per stuk. Maar ik begrijp nu waarom de vorige eigenaar van ze af wilde, ze luisteren totaal niet, superkoppig, net ezels. Gelukkig krijg ik ze nu langzaam wel onder controle.
Etymologie
*[2] onder invloed van "control", in gebruik vanaf 1975
Vertalingen
Engelsexamination
Franscontrôle
DuitsKontrolle
Spaanscontrol, inspección
Italiaanscontrollo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek