convers
mannelijk (de)/kɔnˈvɛrs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) (religie) een kloosterling die wel de gelofte van de orde waartoe hij behoort, heeft afgelegd doch zonder klerikale wijdingen en met minder verplichtingen ten aanzien van het koorofficie
- het tegengestelde
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lekenbroeder’ voor het eerst aangetroffen in 1276
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek