copuleren

/kopyˈlerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, fysiologie, seksualiteit (inerg) (fysiologie) (seksualiteit) geslachtsgemeenschap hebben
    Bij deze soort wordt er pas gecopuleerd na een uitgebreid paringsritueel.

Etymologie

*via "copuler" ( van Latijn "copulare" "verenigen, verbinden"; in de betekenis van ‘paren’ aangetroffen vanaf 1872

Vertalingen

Engelscopulate
Franscopuler
Duitskopulieren
Spaanscopular