Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

coronavakantie

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode dat de scholen gesloten waren tijdens de coronapandemie
    'We zijn zo toch ook al een soort gezin, vind je niet? Jij, papa, Jochie en ik.' 'Dat is niet echt. Dat is alleen de coronavakantie. Ik wou dat het altijd corona was!' Franzi stampvoet.