corrigeren

/ˌkɔriˈʒerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets ontdoen van fouten of fouten aanduiden, verbeteren
    De leraar corrigeerde het eindproefwerk van de leerlingen.
  2. terechtwijzen, straffen
    Je moet een hond direct corrigeren als hij niet gehoorzaamt.
    'Het valt allemaal wel mee', corrigeerde ze zichzelf zonder dat iemand het hoorde.
    Hij had zijn slaap nodig. 'Mama? ' zei hij slaperig op het moment dat zij genoeg moed had verzameld om haar schoonmoeder verbaal te corrigeren.

Etymologie

*afgeleid van het Franse corriger ( en )

Vertalingen

Engelscorrect, adjust
Franscorriger
Duitskorrigieren
Spaanscorregir