courage

vrouwelijk (de)/ku'raʒə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. moed, kracht
    Het mag een wonder heten dat het kleine meisje het overleefde: haar huid en schedel waren niet gesloten, waardoor haar hersenen geen enkele bescherming hadden. Mama Ellen en papa Alexander Corne (38) raapten al hun courage bijeen en een team van chirurgen 'sloot' het hoofdje van hun drie dagen oude oogappel.
    De actie geeft hem duidelijk courage en toverde zelfs een glimlach op z'n gezicht.
    Alle dagen belt boer Backaert met zijn koersende zoon. "Om hem courage te geven."

Etymologie

*afgeleid van het Franse courage () [https://fr.wiktionary.org/wiki/courage Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsstrength
Franscourage
Spaansvalor, virtud