couscous
mannelijk/vrouwelijk (de)/kusˈkus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) Noord-Afrikaans gerecht met deegwaar van kleine korrels gemaakt van tarwe of gierst geserveerd met vlees of groenteEen orthodox-joodse familie zat couscous te eten en te kletsen met hun Arabische buren. {{Aut|Sandes, David
Etymologie
*via """ of "كسكس" (koeskoes) uit een Berbertaal als "seksu", "seksu" of "keskesu", in de betekenis van ‘deegwaar van kleine korrels’ aangetroffen vanaf 1681
Vertalingen
Engelscouscous
Franscouscous
DuitsCouscous
Spaanscuscús, alcuzcuz
Italiaanscuscus
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek