couturier

mannelijk (de)/ˌkutyˈrje/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) modeontwerper, ontwerper en maker van modieuze kledij
    Modellen showden de creaties van de couturier op de catwalk.
    De afgelopen uren had ze hoofdzakelijk op de automatische piloot gelachen en vriendelijke gezichten getrokken. Zoals genodigden op een feestje aan de Amsterdamse grachtengordel deden. Of bekende Nederlanders tijdens een champagnefeest na de modeshow van een beroemde couturier.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘modeontwerper’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1970

Vertalingen

Engelsdressmaker, tailor
Franscouturier, couturière
DuitsSchneider, Schneiderin
Spaansmodista
Italiaanssarto