crash

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een ernstig verkeersongeluk
  2. economie (economie) een ineenstorting van de aandelenmarkt op de beurs
  3. informatica (informatica) het onbruikbaar worden van een computer, besturingssysteem of applicatie
  4. een ineenstorting van een systeem
    Het werd echter meer en meer duidelijk dat deze politiek een trein zonder remmen bleek die maar doordenderde. Een crash was onvermijdelijk.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, voor de verdere etymologie zie aldaar. In de betekenis van ‘krach, ongeval’ voor het eerst aangetroffen in 1936

Vertalingen

Engelscrash, crash
Franscrash, krach
DuitsCrash, Crash, Krach
Spaanschoque, accidente, crack