crisistijd
mannelijk (de)/'krizɪstɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- periode waarin sprake is van een crisisOorlogstijd, crisistijd, rantsoentijd en een algemene bevolkingsgezondheid die beter was dan ooit omdat de mensen, de anderen dus, nooit suiker, vet, varkensvlees en absoluut geen ossenhaas binnen konden krijgen.
- in het bijzonder de grote crisis die begon met de beurskrach van 1929
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek