crisistijd

mannelijk (de)/'krizɪstɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode waarin sprake is van een crisis
    Oorlogstijd, crisistijd, rantsoentijd en een algemene bevolkingsgezondheid die beter was dan ooit omdat de mensen, de anderen dus, nooit suiker, vet, varkensvlees en absoluut geen ossenhaas binnen konden krijgen.
  2. in het bijzonder de grote crisis die begon met de beurskrach van 1929