cru

mannelijk (de)/kry/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wijnstreek en wijnoogst m.b.t. plaats en jaar
    geeft u mij maar een grandcru château Lafite Rothschild van 1953
  2. ruw, grof, rauw, hard, ruig
  3. ruw, grof, rauw, hard, ruig
    Eigen schuld, dikke bult. Als je te veel drinkt, kan dat soort dingen gebeuren. (...) Om het een beetje cru te stellen: jammer, maar helaas.

Etymologie

*afgeleid van het Franse cru

Vertalingen

Engelscrude, raw, rough
Franscru
Spaansbasto, crudo, tosco