cultuur

vrouwelijk (de)/kʏlˈtyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. maatschappij (maatschappij) het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren, die deze activiteiten een zekere betekenis geven met name kunst en wetenschap
    Op onze vakantie gaan we altijd op zoek naar cultuur.
    In deze periode was de aandacht van De Coubertin en het IOC niet zozeer gericht op het organiseren van de Spelen, als op het uitdragen van de filosofie van het olympisme dat een levenswijze bevorderde waarin sport wordt gemengd met cultuur, educatie en internationale samenwerking.
  2. maatschappij (maatschappij) hoe mensen samenleven; alles wat aangeleerd is
    Hij is een kenner van de Ghanese cultuur.
    Zo kan het gebeuren dat op het basketbalveld populaire cultuur, politieke statements en economische belangen samenvallen met de bal en de ring.
  3. landbouw (landbouw) het verbouwen van gewassen
    Op deze boerderij is een grote monocultuur van mais.
  4. biologie (biologie) op een voedingsbodem gekweekte micro-organismen
    de bacteriecultuur groeit het hardst bij een temperatuur van 37 graden

Etymologie

* Via Frans uit Latijn cultura, afgeleid van colere

Vertalingen

Engelsculture
DuitsKultur
Spaanscultura, cultivo
Italiaanscultura
Poolskultura