cursus

mannelijk (de)/ˈkʏrzʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs (onderwijs) reeks lessen die een afgesloten geheel vormen
    Hij kreeg ook een cursus bij dat abonnement.
  2. een leerjaar

Etymologie

*van Latijn """, in de betekenis van ‘leergang’ voor het eerst aangetroffen in 1804

Vertalingen

Engelsclass, course
Franscours
DuitsKurs
Spaanscurso