daad

mannelijk/vrouwelijk (de)/dat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. doelbewust en doelgericht gepleegde handeling, vaak met name in negatieve zin (zoals in het strafrecht)
    De eenvoud van het lichaam dat een ander lichaam verlangt. Geen woord. Slechts daad. Een daad die ik nooit kan verrichten. Hoe moet dat als ik bij hem blijf? Als ik weet dat dit is wat hem beroert? Hoe kan ik het zo fixen dat die behoefte verdwijnt? Dat kan ik niet.
    Ze vond haar daad spannend, maar ook een beetje misselijkmakend.
    Een verwaande kwast die als grootste hobby interessant doen en opscheppen had. Bij voorkeur over zijn eigen daden.
  2. seksualiteit, pregnant (seksualiteit), (pregnant) geslachtsdaad
    Waarom zijn mannen zo moe na de daad?

Etymologie

* In de betekenis van ‘handeling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • op heter daad betrappeniemand betrappen op een misdaad terwijl hij bezig is
  • (juridisch) onrechtmatige daadeen daad die schade veroorzaakt heeft, waarvoor men een schadevergoeding zal moeten betalen
  • iemand met raad en daad bijstaaniemand helpen, niet alleen met advies maar ook door handelen
  • de daad bij het woord voegendatgene doen wat men belooft of zich heeft voorgenonen
  • een goede daad doeniets goeds doen
  • een daad stelleniets doen om te laten zien dat je het serieus meent
  • geen woorden, maar dadener moet niet slechts gepraat worden, maar tot actie worden overgegaan

Vertalingen

Engelsact, action, deed
Fransaction, acte
DuitsTat
Spaansacto, acción, hecho
Italiaansazione, fatto
Portugeesacto
Russischдействие
Poolsczyn