dadel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdadəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) zoete bruine vrucht van de dadelpalm,
    Alleen al het inkopen doen voor de kerstmaaltijd. En het je herinneren hoe het zat met dadels en speculaas, het dopen van stukjes brood in hambouillon, varkenspootjes, stokvis met piment en witte saus op Zweedse wijze of spek in eigen vet, mosterd en doperwtenpuree op Noorse wijze, welke soorten noten verplicht waren — en op het laatste moment op kerstavond zelf notenkrakers aanschaffen —, rolham, haring en rijstebrij.

Etymologie

*via Middelnederlands "dade" / "dattel" van "dade", in de betekenis van ‘vrucht van dadelpalm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Vertalingen

Engelsdate
Fransdatte
DuitsDattel
Spaansdátil
Italiaansdattero
Russischфиник
Turkshurma