dagdromer

mannelijk (de)/'dɑɣdromər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die aan het dagdromen is
    James Rebank (1974) had nog nooit van Wordsworth gehoord toen hij als schooljongen het gebied, waar zijn familie van generatie op generatie haar schapen weidde, hoorde beschrijven als speelterrein van een rondtrekkende troep klimmers, dichters, wandelaars en dagdromers. NRC Elsbeth Etty 16 april 2016

Etymologie

* van dagdromen