Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

daggast

mannelijk (de)/'dɑxɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die overdag gast is op een (bruilofts)feest
    De man met de verschrikte blik - een oom van haar echtgenoot - stoot per ongeluk een gast aan: "Die liep met een dienblad vol bacardi cola. Iedereen denkt dat het een ober is, maar het is een daggast op het huwelijk. Al die baco kwam op mijn jurk terecht."
  2. toerisme (toerisme) iemand die te gast is in een horecagelegenheid maar daar niet overnacht
    Gisteravond rond 17.00 uur kwam de man in de problemen. Volgens directeur Jos Mennen van het Prinsenmeer hief de man tijdens het zwemmen ineens zijn hand omhoog en riep hij om hulp. Daarna zakte hij weg in het water. Het zou gaan om een daggast die er met familie en vrienden was.