dagkoers

mannelijk (de)/'dɑxkurs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wat men op een bepaalde dag voor iets wenst te betalen
    Hij deed een bieding van iets boven de dagkoers, maar de aandeelhouders, allerminst tot verkoop verplicht, bleken daar in het geheel ook niet toe genegen
    Ook de bookmakers komen er niet uit wie de premier wordt. De afgelopen verkiezingen bleek het gokgedrag een goede voorspeller te zijn, maar daar valt nu niet veel uit af te leiden. Inzetten op Labour-leider Miliband of Conservatief Cameron levert volgens de dagkoers vandaag precies evenveel op.
  2. race die één dag duurt

Vertalingen

Engelscurrent market price, day's rate