dakgoot

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdɑkxot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het van het dak afvoeren van hemelwater
    Omdat de dakgoot lekte, stonden er plassen op het terras.

Vertalingen

Engelsgutter
Fransgouttière
DuitsDachrinne, Regenrinne
Spaanscanalón
Italiaansgrondaia
Zweedshängränna