dakkamer

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdɑkamər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verblijfsruimte helemaal bovenin een gebouw, die daardoor beperkt is in grootte, bereikbaarheid en comfort
    Ik huurde er een dakkamer van twaalf vierkante meter.
    Hij huurt het liefst dakkamers of kelders.
    Soms gingen we helemaal naar boven in de school, de ruime trap op naar de bovenste verdieping waar recht tegenover de laatste treden, in de grootste dakkamer, het lokaal was van Van der Erve, de tekenleraar.