dakruiter
mannelijk (de)/'dɑkrœytər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kleine toren die op de nok van een dag is aangebrachtDe Petruskerk was een grote kerk, die plaats bood aan 940 kerkgangers. Het gebouw met de karakteristieke dakruiter werd in 1929 in gebruik genomen en liep in de oorlog forse schade op, waarna het in 1946 werd hersteld.Boven ons laat de klok in de dakruiter elf slagen horen. „Hij stopt ’s avonds om halftwaalf en begint om zeven uur, dus een wekker hebben wij niet nodig.”
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek