dame

vrouwelijk (de)/ˈdamə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beschaafde vrouw
    Het wilde jonge meisje was in de loop van de jaren een hele dame geworden.
    ‘Welcome to Paradise, what will it be?’ Voor me stond een ronde dame vol tattoos, die in haar jonge jaren vast de het mooiste meisje van de klas was geweest.
    De dame kijkt een paar keer om maar ze kan niet begrijpen wat er aan de hand is, want daar kijkt Bom wel voor uit.
  2. formele term voor vrouw
    Er is een aparte toilet voor dames en heren.
    Geachte dames en heren! ik heet u van harte welkom.
    Zo noemen wij een ordinaire dame een 'vuile kledder', inclusief de toevoeging: 'As je d'r tegen de muur an smijt, blijft ze plakke.
  3. schaak (schaak) koningin in het schaakspel
    Na de koning is de dame het belangrijkste schaakstuk.

Etymologie

* via Middelnederlands "dame" van "dame", in de betekenis van ‘vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1401

Vertalingen

Engelslady, queen
Fransdame, dame
DuitsDame, Dame
Spaansseñora, reina, dama
Italiaanssignora, regina, donna
Poolsdama, dama, królowa
Zweedsdam, dam, drottning