dank

mannelijk (de)/dɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
    Hij bewees zijn dank met een bos bloemen.
    Terwijl ik mijn appel opat, maakte ik vaak een klein schilderijtje voor ze als teken van dank.
    Dank u, señora,' zei Isaac, zichtbaar ongemakkelijk. 'Het is goed, hè, Liv?' 'Ja ' Olive durfde Isaac niet aan te kijken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘erkentelijkheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • iemand iets niet in dank afnemenboos zijn over iets dat iemand heeft gedaan
  • geen dankals antwoord als iemand je bedankt, je zegt dan eigenlijk dat het normaal is wat je gedaan hebt en dat een ander daar niet dankbaar voor hoeft te zijn. In een beleefde omgang met elkaar zegt de geholpene altijd Dank je wel en zegt de helper daarna altijd Geen dank.

Vertalingen

Engelsgratitude, thanks
Spaansgracias