dansen
/ˈdɑnsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) sierlijk en ritmisch bewegen, gewoonlijk op muziekEr werd gedanst op muziek uit de jaren dertig.Mag ik met je dansen vroeg de verlegen jongen aan het meisje.Pogue deed wat geld in de jukebox, begon te dansen en zweepte iedereen op.
- niet stilstaanDoor de enorme vermoeidheid dansten de letters voor mijn ogen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘op muziek bewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- naar iemands pijpen dansen
- als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
- De poppen aan het dansen hebben — Problemen hebben door iets
- Met Sint Juttemis als de kalveren op het ijs dansen — Nooit! (Sint Juttemis valt op 17 augustus, en dan ligt er geen ijs)
- Te dom zijn om voor de du(i)vel te dansen — heel erg dom zijn
Vertalingen
Engelsdance
Fransdanser
Duitstanzen, danse
Spaansbailar, danzar
Italiaansballare
Russischтанцевать, потанцевать
Japans踊る, おどる, odoru
Turksdans etmek
Poolstanczyć
Zweedsdansa
Deensdanse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek