Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

darsjan

mannelijk/vrouwelijk (de)/dɑrˈʃɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schriftuitlegger, prediker, degene die de predikatie houdt
  2. joods leraar (eerste van drie graden waarvoor examen wordt gedaan, naast magied en moree)

Etymologie

* Herkomst: Hebreeuws