Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
darsjan
mannelijk/vrouwelijk (de)/dɑrˈʃɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- schriftuitlegger, prediker, degene die de predikatie houdt
- joods leraar (eerste van drie graden waarvoor examen wordt gedaan, naast magied en moree)
Etymologie
* Herkomst: Hebreeuws
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek