dauw
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) condensatiedruppels gevormd op de grond door afkoeling van vochtige luchtHet grasveld was bedekt met dauw.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gecondenseerde waterdamp’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Uitdrukkingen
- voor dag en dauw — heel vroeg in de ochtend
Vertalingen
Engelsdew
DuitsTau
Spaansrelente, rocío
Zweedsdagg
Deensdug
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek