davit

mannelijk (de)/'davɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) draagstang voor reddingsboot

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘ophanging van sloep’ voor het eerst aangetroffen in 1858

Vertalingen

Spaansgaviete, pescante, serviola