deal

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) overeenkomst, transactie
    De wethouder had een deal gemaakt met de vastgoedondernemer.
    De modellen die het grootste gedeelte van de show lopen zijn beroeps uit Bulgarije en Polen. Ons management heeft een deal met dat van hen gemaakt.
    We liepen naar de tabakswinkel op de Dalagatan en kochten, ja dat wil zeggen hij kocht, twee losse Boys zodat we konden roken terwijl we de details van de deal doorspraken.

Etymologie

*van het Engels