deeg
onzijdig (het)/dex/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak, vervaardigd van meel aangevuld met rijsmiddelen als gist, bakpoederof ei, vloeistoffen als melk of water en smaakstoffen zoals suiker en zout
Etymologie
*van Middelnederlands "deech", in de betekenis van ‘mengsel’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- een koekje van eigen deeg krijgen
- Een koekje van eigen deeg geven — net zo vervelend behandelen als je zelf behandeld werd
Vertalingen
Engelsdough
Franspâte
DuitsTeig
Spaansmasa, pasta
Russischтесто
Zweedsdeg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek