deemster

/'demstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (België), (meteorologie) halfdonker, (late) schemering
    We zagen weinig in de deemster.
  2. (België) donkerte, duisternis (ook fig.)
    De deemster van de vergetelheid.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands deemster, ontwikkeld uit Oergermaans *þemestraz, bij Indo-Europees *temh₁-es-, waartoe ook Tochaars B tamāsse ‘donker’, Latijns tenebrae ‘duisternis’, Litouws tamsà ‘duisternis’ en Sanskriet támas- ‘duisternis’ behoren. Evenals Middelnederduits deemster, dienster en Duits finster; verder Engels dim en IJslands dimmur, beide ‘donker, duister’.