deken

mannelijk (de)/ˈdekə(n)/

Wat is de betekenis van deken?

deken betekent: (textiel) een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textiel (textiel) een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
zelfstandig naamwoord
  1. juridisch, beroep (juridisch) (advocatuur), (beroep) voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten
  2. religie, beroep (religie), (beroep) een kerkelijk of academisch ambt en territoriale eenheid
  3. beroep (beroep) hoofd van een decanaat

Voorbeelden van "deken" in een zin

  • Ze zaten op de her en der verspreide strobalen, op het stro op de grond of op dekens, en sommigen hadden een deken om zich heen geslagen.
  • `Ach Pietje,' zei Sint, 'in die grauwe deken ben ik toch Sinterklaas.'
  • De ochtendjas waar ze met een driftige beweging in schoot voelde aan als een extra deken op een zwoele zomernacht.
  • Een slecht functionerende advocaat kan door de deken uit zijn ambt worden gezet.
  • De deken staat boven de pastoor en onder de bisschop in de katholieke hiërarchie.

Etymologie

*[B] Leenwoord van Latijn "decanus", in de betekenis van ‘overste, hoofd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1210

Vertalingen

Engelsblanket, dean, dean
Franscouverture
DuitsDecke
Spaansmanta
Russischодеяло, декан, декан