deken
mannelijk (de)/ˈdekə(n)/
Wat is de betekenis van deken?
deken betekent: (textiel) een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (textiel) een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) (advocatuur), (beroep) voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten
- (religie), (beroep) een kerkelijk of academisch ambt en territoriale eenheid
- (beroep) hoofd van een decanaat
Voorbeelden van "deken" in een zin
- Ze zaten op de her en der verspreide strobalen, op het stro op de grond of op dekens, en sommigen hadden een deken om zich heen geslagen.
- `Ach Pietje,' zei Sint, 'in die grauwe deken ben ik toch Sinterklaas.'
- De ochtendjas waar ze met een driftige beweging in schoot voelde aan als een extra deken op een zwoele zomernacht.
- Een slecht functionerende advocaat kan door de deken uit zijn ambt worden gezet.
- De deken staat boven de pastoor en onder de bisschop in de katholieke hiërarchie.
Etymologie
*[B] Leenwoord van Latijn "decanus", in de betekenis van ‘overste, hoofd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1210
Vertalingen
Engelsblanket, dean, dean
Franscouverture
DuitsDecke
Spaansmanta
Russischодеяло, декан, декан
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek