dektijd

mannelijk (de)/ˈdɛktɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode dat vrouwtjesdieren vruchtbaar zijn
    Geiten zijn soms lastig, maar ook speels, mallotig, nieuwsgierig en handig. Een bok stinkt, dat is waar. Uit de klier achter de hoorns komt een geurstof vrij; vooral in de dektijd verspreidt de bok een walgelijk zoete stank. Maar je hebt slechts één bok nodig voor honderden nakomelingen, want ook zijn voortplantingsdrift is spreekwoordelijk. NRC J. Habets 25 september 1999 [https://www.nrc.nl/nieuws/1999/09/25/de-armeluiskoe-7463813-a1248953 De armeluiskoe]