dendriet

mannelijk (de)/dɛn'drit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. neurologie (neurologie) uitloper van (het cellichaam van) een zenuwcel
    Als de neurotransmitters een dendriet van de volgende cel bereikt hebben, binden ze aan receptoren die zich op de dendriet bevinden.
  2. kristallografie (kristallografie) een struikvormige kristalstructuur
    Langs barsten drongen oplossingen van zwarte mangaanoxides of bruine ijzeroxides in de steen en vormden daar dendrieten.
  3. vertakkingen op een ijskristal

Etymologie

* In de betekenis van ‘minerale afzetting in de vorm van boom in gelaagd gesteente’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1734

Vertalingen

Engelsdendrite
Fransdendrite
DuitsDendrit
Italiaansdendrite
Poolsdendryt
Zweedsdendrit
Deensdendrit