dendriet
mannelijk (de)/dɛn'drit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (neurologie) uitloper van (het cellichaam van) een zenuwcelAls de neurotransmitters een dendriet van de volgende cel bereikt hebben, binden ze aan receptoren die zich op de dendriet bevinden.
- (kristallografie) een struikvormige kristalstructuurLangs barsten drongen oplossingen van zwarte mangaanoxides of bruine ijzeroxides in de steen en vormden daar dendrieten.
- vertakkingen op een ijskristal
Etymologie
* In de betekenis van ‘minerale afzetting in de vorm van boom in gelaagd gesteente’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1734
Vertalingen
Engelsdendrite
Fransdendrite
DuitsDendrit
Italiaansdendrite
Poolsdendryt
Zweedsdendrit
Deensdendrit
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek