derwisj
mannelijk (de)/'dɛrwiʃ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) islamitische soefigeestelijke die de gelofte van armoede heeft afgelegd
Etymologie
* Leenwoord uit het Turks, in de betekenis van ‘bedelmonnik’ voor het eerst aangetroffen in 1721
Vertalingen
Spaansderviche
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek