Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

deursleutel

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sleutel waarmee men het slot van een deur kan openen en sluiten
    'Ja,'zei ze terwijl ze met de deursleutel frunnikte, 'Ik wil niet dat we ons meteen uitkleden, onze tanden poetsen, onze kleren netjes opvouwen en onze pyjama aantrekken.'