diabetes
mannelijk (de)/ˌdijaˈbetəs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) Meestal gebruikt voor diabetes mellitus: een stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert en de patiënt dus zelf de hoeveelheid glucose in zijn/haar bloed moet controleren oftewel regelenDe WHO spreekt over een “diabetesepidemie met grote gezondheids- en sociaal-economische gevolgen”, met name in ontwikkelingslanden. Alleen in 2012 vielen volgens de WHO al 1,5 miljoen doden als gevolg van diabetes. NRC Joram Bolle 6 april 2016
- (medisch) diabetes insipidus: een aandoening waarbij door een tekort van of ongevoeligheid voor het antidiuretisch hormoon een te grote urineproductie ontstaat.Vroeger, als een patiënt grote hoeveelheden urine ging produceren, moest de dokter zijn vinger in de urine steken en proeven. Was de urine zoet, dan had men suikerziekte (diabetes mellitus is zoete vloed). Had de urine geen zoete smaak, dan sprak men van diabetes insipidus (is smakeloze vloed) en dan was er wat mis met de nieren of de hersenen. NRC Dick Swaab 28 maart 2009
Etymologie
*afgeleid van het Griekse 'baínein' (gaan)
Vertalingen
Engelsdiabetes
Fransdiabète
DuitsDiabetes
Spaansdiabetes
Portugeesdiabetes
Turksşeker hastalığı, diyabet
Poolscukrzyca
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek