diatomeeën
/ˌdijatoˈmejə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (protisten) stam van eencellige organismen , waarvan de leden een extern skelet van kiezel (siliciumdioxide, SiO2) hebbenDe meeste diatomeeën variëren in grootte van 10 tot 100 micrometer.
Etymologie
*van Neolatijn "Diatomeae" gevormd uit "διάτομος" (diátomos) "doorgehakt, doorgesneden", op te vatten als "diatomee" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelsdiatoms
Fransdiatomées
DuitsKieselalgen, Diatomeen
Spaansdiatomeas
Zweedskiselalgerna
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek