dibboek
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdɪbuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geest van een dode die zich meester maakt van een levend persoon
Etymologie
* Herkomst: Hebreeuws via het Jiddisj
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
* Herkomst: Hebreeuws via het Jiddisj