dief

mannelijk (de)/dif/

Wat is de betekenis van dief?

dief betekent: (misdaad) iemand die steelt

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. misdaad (misdaad) iemand die steelt
  2. misdaad, verouderd (misdaad), (verouderd) bandiet, boef, schelm, schurk

Voorbeelden van "dief" in een zin

  • Met de lokfiets kan de politie via een Google Maps-achtig systeem zien waar de dief de tweewieler naartoe brengt. NRC Martin Kuiper 17 juni 2016

Betekenis en uitleg van dief

Een dief is iemand die op ongeoorloofde wijze andermans spullen steelt. Het woord roept vaak een beeld op van geheimzinnigheid en onbetrouwbaarheid, omdat een dief niet alleen de eigendommen van anderen afneemt, maar ook het vertrouwen van de samenleving schaadt.

Je gebruikt het woord 'dief' vaak in situaties waarin iemand betrapt wordt op het stelen van iets, variërend van kleine voorwerpen tot waardevolle goederen. Het woord heeft een negatieve connotatie en impliceert meestal dat de dief zich schuldig maakt aan een morele overtreding. In de rechtspraak wordt de term ook gebruikt om verschillende vormen van diefstal te categoriseren, zoals inbraak of winkeldiefstal.

Voorbeelden

  • De politie betrapte de dief terwijl hij probeerde een fiets te stelen uit de tuin.
  • Na de inbraak in het museum werd de dief snel gepakt dankzij de beveiligingscamera's.
  • Hij voelde zich als een dief in de nacht toen hij stiekem een bliksembezoek aan zijn oude school bracht.

Woordoorsprong

Het woord 'dief' komt van het Oudnederlands 'dīf', wat ook verwijst naar iemand die steelt. Het is verwant aan het Duitse 'Dieb'.

Veelgestelde vragen over dief

Wat is de betekenis van dief?

dief betekent: (misdaad) iemand die steelt

Hoeveel betekenissen heeft dief?

dief heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft dief?

dief is een mannelijk (de).

Hoe gebruik je dief in een zin?

Voorbeeld: “Met de lokfiets kan de politie via een Google Maps-achtig systeem zien waar de dief de tweewieler naartoe brengt. NRC Martin Kuiper 17 juni 2016

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands dief, ontwikkeld uit Oergermaans *þeubaz, bij Indo-Europees *teup- ‘hurken (om zich te verbergen)’, waartoe ook Grieks entupás (ἐντυπάς) ‘hurkend, ineengedoken’ en Litouws tũpti ‘neerhurken’, tupė́ti ‘op zijn hurken zitten’ behoren. Evenals Nederduits Deef, Deev, Duits Dieb, Fries vero. tsjeaf, Engels thief en Zweeds tjuv.

Uitdrukkingen

  • Als een dief in de nachtonverwacht, zonder waarschuwing vooraf
  • Een dief van de eigen portemonneeIemand die zichzelf financieel benadeelt
  • Eens een dief, altijd een dief. / Eenmaal gestolen, altijd een dief.Als iemand één keer iets verkeerds doet, wordt hem/haar dat nog heel lang (misschien diens hele verdere leven) nagedragen
  • Elk is een dief in zijn nering.Iedereen doet datgene wat voor hem-/haarzelf het voordeligst uitpakt
  • Dieven met dieven vangenmensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen
  • 't Is kwaad stelen waar de waard een dief isStoett-2170 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • De gelegenheid maakt de diefwanneer de omstandigheden het gemakkelijker erop maken is stelen verleidelijk
  • Elk is een dief in zijn neringStoett-418 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsthief
Fransvoleur
DuitsDieb
Spaansladrón
Russischвор
Turkshırsız
Zweedstjuv
Deenstyv