dief

mannelijk (de)/dif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. misdaad (misdaad) iemand die steelt
    Met de lokfiets kan de politie via een Google Maps-achtig systeem zien waar de dief de tweewieler naartoe brengt. NRC Martin Kuiper 17 juni 2016
  2. misdaad, verouderd (misdaad), (verouderd) bandiet, boef, schelm, schurk

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands dief, ontwikkeld uit Oergermaans *þeubaz, bij Indo-Europees *teup- ‘hurken (om zich te verbergen)’, waartoe ook Grieks entupás (ἐντυπάς) ‘hurkend, ineengedoken’ en Litouws tũpti ‘neerhurken’, tupė́ti ‘op zijn hurken zitten’ behoren. Evenals Nederduits Deef, Deev, Duits Dieb, Fries vero. tsjeaf, Engels thief en Zweeds tjuv.

Uitdrukkingen

  • Als een dief in de nachtonverwacht, zonder waarschuwing vooraf
  • Een dief van de eigen portemonneeIemand die zichzelf financieel benadeelt
  • Eens een dief, altijd een dief. / Eenmaal gestolen, altijd een dief.Als iemand één keer iets verkeerds doet, wordt hem/haar dat nog heel lang (misschien diens hele verdere leven) nagedragen
  • Elk is een dief in zijn nering.Iedereen doet datgene wat voor hem-/haarzelf het voordeligst uitpakt
  • Dieven met dieven vangenmensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen
  • 't Is kwaad stelen waar de waard een dief isStoett-2170 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • De gelegenheid maakt de diefwanneer de omstandigheden het gemakkelijker erop maken is stelen verleidelijk
  • Elk is een dief in zijn neringStoett-418 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsthief
Fransvoleur
DuitsDieb
Spaansladrón
Russischвор
Turkshırsız
Zweedstjuv
Deenstyv